100 jaar en zoo gezond als een vischje

De Haagse Maria de Rooij, weduwe van Laurens Willem Nelck, vierde op 12 februari 1939 haar honderdste verjaardag. Reden genoeg om in de kranten uitgebreid in het zonnetje te worden gezet.

De weduwe Nelck-de Rooij met haar twee lievelingskatten (Nieuwe Tilburgsche Courant, 9 februari 1939)
De weduwe Nelck-de Rooij met haar twee lievelingskatten (Nieuwe Tilburgsche Courant, 9 februari 1939)

Krasse honderdjarige met goed geheugen

ZE HOUDT NOG VAN DANSMUZIEK

“Bang van water, maar… niet om me te wasschen”

Honderd jaar is een heele tijd.

En een eeuw geschiedenis is een tijdperk, dat we met ontzag overzien. Wat verandert er niet in de wereld gedurende honderd jaar en wat moet iemand, die honderd jaar oud is, niet allemaal meegemaakt hebben. Er zijn echter maar weinig menschen. die zoo oud worden, want honderd jaar is de leeftijd der allersterksten. Toch hebben we in onze stad een inwoonster, die over enkele dagen een eeuw op deze wereld vertoeft. Dat is de weduwe Nelck-de Rooy en in verband met dezen unieken verjaardag op Zondag zijn we haar eens in haar woning aan de Obrechtstraat op gaan zoeken om een praatje te maken en oude. zeer oude herinneringen op te halen.

De hoogbejaarde dame is het werkelijk niet aan te zien, dat ze al tien kruisjes achter den rug heeft. Ze loopt wel een beetje voorover en baar oogen en ooren zijn niet meer zooals ze graag zelf wel zou willen, maar ze beschikt nog over een helderheid van geest, een radheid van tong on een gevatheid van antwoorden, die werkelijk verbluffend zijn.

“En zoo gezond als een vischje hoor”, zegt ze opgewekt on we hoeven haar eigenlijk niet eens vragen te stellen, want ze babbelt aan één stuk door. “En ik eet en drink nog alles, ’s Morgens om zeven uur begin ik al. Dan brengt mijn zoon me een kopje thee met een beschuitje op bed. Dat doet hij al meer dan twintig Jaar….”

“Hoe oud is die zoon?” “Zeventig – Ja, ’t is niet meer zoo’n broekje, hé”, lacht ze. “maar we hebben heelemaal een sterke familie. Mijn eene broer is 93 geworden en mijn zuster 96. Alleen één broer is nogal jong gestorven. Die is maar 85 geworden!”

“En herinnert u zich nog wat uit uw jeugd?”

“Alles hoor. De kinderen zagen er vroeger heel wat armer uit dan nu. Soms niet eens een jasje en alleen een paar klompen. Nu hebben de kinderen nette schoenen en nog een paar thuis in de kast. De scholen waren ook anders, je had armenscholen en geldscholen. Ik ben op een geldschool geweest, want mijn vader had een goeie vleeschhouwerij. Op de school van meester Veenendaal en zijn zoon in de Boekhorststraat ben ik geweest en daarna op de Fransche school en de naaischool en toen ben ik thuis gekomen. En tenslotte kreeg ik een man en toen was alles afgeloopen, hè”.

Voor geen honderd gulden in een vliegtuig.

De oude dame gaat maar door met uit haar herinneringen te putten en het is allemaal even aardig om te hooren. De evolutie van het licht van de vetkaarsen tot aan de electriciteit toe.

“En wat er hierna nog zal komen weet ik niet” voegt ze er schalks aan toe, “en dan had je alleen maar trekschuiten en de heel deftige menschen hielden er een rijtuig op na. Maar dat veranderde allemaal. Eerst kwam dat gekke rijwiel mot één groot wiel en daarna weer andere rijwielen en auto’s en eindelijk trams en de spoor, Ik weet nog goed. dat mijn vader voor de eerste maal met de spoor van Rotterdam naar Den Haag reed en dat ik hem toen van het station ben gaan halen. En het allerlaatst zijn de vliegmachines gekomen”

“Zoudt U daar in durven zitten?”

“O, gunst – nee” schrikt onze gastvrouw, “misschien als t-ie op den grond bleef staan, maar niet vliegen. Voor geen honderd gulden doe ik dat. Ik zat al niet erg graag in de trekschuit, want ik ben bang van water. Maar niet om me te wasschen. hoor. Al is ’t ’s winters nog zoo koud. dan wasch ik me nog met koud water”

“Wat vindt U nou ’t meest veranderd?”

“Ja. eigenlijk alles. De straten zijn zooveel schooner en de jeugd is niet zoo baldadig meer en je ziet veel minder arme en ongelukkige menschen. En de huizen zijn veel mooier en beter. En er komt elken avond een krant. Vroeger had je alleen maar den omroeper, die op de hoeken van de straten kwam vertellen als er een horloge gevonden was of zoo”.

“En leest U de krant nu?

“Nee – zelf kan ik het niet meer. want mijn oogen zijn een beetje slecht geworden. Maar ze lezen me altijd het nieuws voor. O, ik heb hier zoo’n goeie behandeling en al mijn kinderen en kleinkinderen en achterkleinkinderen komen me elke week trouw opzoeken. En als ze me iets beloven moeten ze er ook mee aankomen, want ik vergeet niets, hoor. Mijn hoofd is nog goed in orde, vindt U ook niet?”

“Zeker” geven we lachend toe, “en hoe denkt U over de radio?”

“Nou – radio vind ik erg mooi. maar ‘Je laatste jaren kan ik het niet zoo goed meer hooren. Dan lijkt het allemaal gebrom, wat er uit dat ding komt. Maar vroeger luisterde ik heel veel naar de muziek.”

“Maar zeker geen dansmuziek….”

“Waarom niet – dat kan me niets schelen, ik heb vroeger ook gedanst en daarom hoor ik het nu ook graag. Als het maar niet zoo schel is.”

En met deze ietwat verrassende uitspraak over de dansmuziek nemen we afscheid van de krasse honderdjarige. O, ze zou nog veel meer kunnen vertellen, maar dat zou haar te veel vermoeien.

“Wat ik U nou verteld heb heb ik aan geen mensch anders verteld”, zegt ze op moederlijken toon als we haar een hand geven en het beste toewenschen, “dat is allemaal nieuws. Maar ik heb het goed onthouden, hè?”

En dat kunnen we moeilijk ontkennen.

Het Vaderland, 9 februari 1939

Maria Nelck-de Rooij (Het Vaderland, 9 februari 1939)
Maria Nelck-de Rooij (Het Vaderland, 9 februari 1939)

DRUKKE MAAR BLIJDE DAG VOOR HONDERDJARIGE

Belangstelling uit alie deelen van het land

’t Was gisteren een heel bijzondere dag voor de weduwe Nelck-de Rooy. want ze vierde haar 100sten verjaardag en die is natuurlijk niet ongemerkt voorbijgegaan. Integendeel, er bestond geweldig veel belangstelling voor en van tien uur ’s morgen af is het eigenlijk geen oogenblik rustig geweest in haar woning aan de Obrechtstraat. De bel stond niet stil. want steeds kwam de post weer met brieven en vele telegrammen, auto’s van bloemisten brachten bloemen en banketbakkers bezorgden taarten. En dan waren er nog de vele kleinkinderen, achterkleinkinderen en zelfs een achter-achterkleinkind, de vrienden en bekenden en zelfs vreemden, die de jarige de hand kwamen drukken en haar het beste toewenschen.

Toen we ’s middags even een kijkje gingen nemen vonden we de honderdjarige in een versierden stoel met het cijfer 100 erboven in goud zitten, omringd door ontelbare bloemenmanden en boeketten en – familieleden. Zoo langzamerhand was ze een beetje In de war geraakt door al de vreemde en bekende gezichten, de vele goede wenschen en hartelijke woorden. Namens de burgemeester was jhr mr W. C. Six gelukwenschen en een groote bloemenmand komen aanbieden, een vertegenwoordiger van Frits Hirsch was geweest, twee van de coöperatie “De Volharding”, die een groote taart met tien kaarsjes had gezonden, omdat 100 wel wat te veel was, en waren verscheidene oude dames gekomen, die zich ondanks haar zeventig-tachtig jaar nog jong voelden bij mevr. Nelck-de Rooy vergeleken, vreemde menschen hadden vriendelijke brieven gezonden zelfs heelemaal uit Drente, er was een Deventer koek met een aardigen brief ontvangen, telegrammen uit het buitenland – Ja, op alle mogelijke wijzen was er medeleven geloond op dezen dag. En was het een onvergetelijke dag voor de jarige zelf, zeker niet minder voor haar zoon, die zelf al zeventig jaar is en niet weinig trotsch en dankbaar was. dat deze unieke dag gevierd kon worden. Zelfs was er iemand uit Amsterdam gekomen, die vijftien jaar geleden eens een middag op het Scheveningsche strand met de jarige had zitten praten en verleden week ineens het portret in de krant zag en zich dat gezicht herinnerde. En ze had net zoolang in oude dagboeken gesnuffeld tot ze er achter was gekomen, waar ze dat gezicht meer had gezien.

Zoo werd er van alle zijden meegeleefd en de jarige zelf – och, ze zat een beetje stil en beduusd in haar versierden stoel, en vroeg nu en dan eens aan haar kleindochter, wie dat nu was en waar die mijnheer vandaan kwam. En dat haar eetlust in orde, was bewees ze wel, toen ze onverwacht er tusschendoor vroeg, wat er ’s avonds gegeten zou worden. En toen ze het menu hoorde was ze best tevreden.

Het Vaderland, 13 februari 1939

Gepubliceerd op

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *