GeenStijl bericht vandaag over de Spaanse boer Chechu, die eigenlijk Sergio blijkt te heten. Ik vroeg me af: hoe kom je bij Sergio op de roepnaam Chechu?
Ute Hafner constateert in haar boek Namengebung und Namenverhalten im Spanien der 70er Jahre (2004) dat veel Spaanse koosnamen de klank [tsj] bevatten (in het Spaans gespeld als ch): Chabel (Isabel), Charo (Rosario), Chuchete (Susana), Nacho (Ignacio), Chete (José), Chus (Jesús)…
Waarom [tsj]? Die vraag is lastig te beantwoorden. In andere talen komen andere klanken veel in koosnamen terug. De Duitsers hebben [ts] (gespeld als tz of z): Fritz (Friedrich), Lutz (Ludwig), Heinz (Heinrich), Kunz (Konrad). En wij [p]: Maup (Maurits), Bep (Elisabeth, Albert), Joop (Johannes), Gijp (Gijsbert).
En zo is in het Spaans Chechu dus ontstaan uit Sergio. Maar niet alleen uit Sergio, want Hafner vermeldt Chechu ook als koosnaam bij José en Jesús. Op Wikipedia vond ik zelfs een Chechu die eigenlijk Francisco heet. Een multi-inzetbare roepnaam dus – een beetje zoals vroeger in het Nederlands Bob en Puck.

