De afstammelingen van Michiel de Ruyter

Uit Het Nieuws van den Dag van 23 juli 1894 een aardig artikel over de nakomelingen van Michiel Adriaenszoon de Ruyter en het ontstaan van illustere namen als Parker de Ruyter Rocher van Renais, De Ruyter de Wildt en De Ruyter van Steveninck.

Ik heb de alinea-indeling wat aangepast om de leesbaarheid op het beeldscherm te verbeteren. Voor de inhoudelijke juistheid van het artikel kan ik natuurlijk niet instaan.

Michiel de Ruyter door Ferdinand Bol in 1667
Michiel de Ruyter door Ferdinand Bol in 1667

De afstammelingen van Michiel Adriaensz. de Ruyter.

Naar aanleiding van de aanstaande feestelijkheden bij de heronthulling van het standbeeld van den Admiraal De Ruyter, is ’t wellicht niet onbelangrijk eenige regelen te wijden aan de afstammelingen van Neerlands grootsten zeeheld, wiens nagedachtenis na twee eeuwen in zijn vaderland nog op zulk een schitterende wijze gehuldigd wordt en dien zijn geboortestad Vlissingen op zulk een treflijke wijze weet te eeren.

Wij herinneren er aan, dat de Admiraal De Ruyter geen andere manlijke nakomelingen heeft nagelaten dan zijn zoon Engel Baron de Ruyter, die in 1683 als Vice-Admiraal ongehuwd is overleden.

De thans nog levende afstammelingen van den Admiraal zijn gesproten uit zijn twee dochters: Alida en Margaretha. Alida de Ruyter, dochter van den Admiraal bij zijne 2e echtgenoote Cornelia Engels, trad in ’t huwelijk met den Vlissingschen predikant Thomas Potts; hunne dochter Anna Potts huwde 25 Maart 1693 met Mr. Wilhem Pottey, Rentmeester-Generaal van Zeeland. Uit dit huwelijk werd Anna Pottey geboren, die zich 19 Aug. 1720 in den echt begaf met Mr. Willem Parker, uit een oud-adellijk geslacht van Engelschen oorsprong gesproten, Burgemeester en Raad van Vlissingen en Bewindhebber der West-Indische Compagnie.

Zij waren ouders van: I°. Anna Maria Parker, die met een lid van het Zeeuwsche zeeheldengeslacht Evertsen huwde, hetwelk echter twee generatiën later uitstierf; 2°. Mr. Johan Willem Parker, Burgemeester, Raad en Bailluw van Middelburg, die bij zijne echtgenoote Jkvr. Jacoba Maria van Bueren een zoon had: Mr. Willem Parker, gehuwd met Adriana Dingmans van ’s Gravehoeck.

Een dochter uit dit huwelijk eindelijk, Jacoba Maria Parker, behoorende tot het 6e geslacht van de nakomelingen van De Ruyter, trad, na ’t overlijden van haren eersten echtgenoot, Dr. Réné Christiaan Marie Rocher van Renais – waarvan nog kort geleden afstammelingen te Hoorn woonachtig waren, Parker de Ruyter Rocher van Renais heetende – omstreeks 1810 ten 2en male in den echt met Jacobus de Wildt, Maire van Nieuwer-Amstel, wiens nakomelingen den naam van De Ruyter bij den hunnen aangenomen hebben en waarvan thans de vertegenwoordiger is de Heer Jan Coenraad de Ruyter de Wildt, te Vlissingen, die, zooals laatst in de couranten reeds bericht werd, met de dochter van den Vice-Admiraal Gobius gehuwd is.

De tweede tak van De Ruyters nakomelingen stamt af van Margaretha de Ruyter, die uit het derde huwelijk van den Admiraal met Anna van Gelder geboren werd en den 28n Maart 1673 huwde met den Amsterdamschen predikant Bernardus Somer, wien zij twee dochters schonk: Anna en Margaretha.

De afstamming van de Graven Van der Goltz van Anna Somer is reeds verleden jaar in de couranten gepubliceerd bij gelegenheid van de schenking van den beker van Chattam aan den Staat; doch wellicht is het minder algemeen bekend, dat de dochter van Bernhard Wilhelm Graaf van der Goltz, Wilhelmine Cornelia van der Goltz genaamd, gehuwd was met Frederik Wilhelm van de Schepper.

Uit dit huwelijk was een dochter: Cornelia Jacoba van de Schepper, die zich omstreeks 1830 in ’t huwelijk begaf met Johan Anthony van Steveninck, te Middelburg, wier afstammelingen den naam voeren: De Ruyter van Steveninck. De Heer Albert de Ruyter van Steveninck, te Tiel, is thans het hoofd van deze familie.

Nog rest ons te vermelden welke de nakomelingen waren van de tweede dochter van Bernardus Somer, met name Margaretha Somer. Deze huwde te Amsterdam 12 April 1701 met Mr. Coenraad Le Leu de Wilhem, een zoon van Mr. David de Wilhem, die om zijn prinsgezindheid in 1672 door den Stadhouder Willem III tot Schepen van Amsterdam verkozen was, en van Hillegonda van Beuningen, een nicht van den beroemden staatsman en Amsterdamschen Burgemeester Coenraad van Beuningen.

Een zoon, uit het huwelijk van Mr. C. Le Leu de Wilhem en van M. Somer gesproten, Mr. David Le Leu de Wilhem genaamd, werd Schepen van Amsterdam en Bewindhebber der Oost-Indische Compagnie. Hij was gehuwd met Clara Susanna Backer, bij wie hij 2 kinderen had: I°. Machteline Henriëtte, 2°. Mr. Coenraad. –

Machteline Henriëtte Le Leu de Wilhem trad 22 Mei 1753 in den echt met Mr. Gerbrand Elias, President, Schepen en Raad van Amsterdam en Bewindhebber der Oost-Indische Compagnie. Van hunne drie zonen: Mr. Pieter Elias, Bailluw en Dijkgraaf van Amstelland, Schepen en Raad van Amsterdam en Bewindhebber der Oost-Indische Compagnie, Jhr. Mr. David Willem Elias, Burgemeester van Amsterdam en lid der Staten van Holland, die in 1815 door Z. M. Koning Willem I in den adelstand werd verheven, en Mr. Gerbrand Elias, lid der Staten van Holland, zijn talrijke afstammelingen nog in het leven. Het tegenwoordig hoofd van dit geslacht is de Heer Gerbrand Pieter Elias, directeur der Oost- Indische Zee- en Brandassurantie-Maatschappij te Amsterdam.

Ten slotte zij vermeld, dat Mr. Coenraad Le Leu de Wilhem, President van den Ed. Hove van Holland en West-Friesland (hierboven genoemd als broeder van Machteline Henriëtte), uit zijn huwelijk met Maria Catharina van Schuylenburg, een dochter had: Aletta Johanna, gehuwd met Christiaan Willem Baron van Boetzelaar, waarvan nog heden vele nakomelingen zijn, o. a. de Heer J. C. Baron van Boetzelaar, te Arnhem.

Jan Coenraad de Ruijter de Wildt, in het artikel opgevoerd als als hoofd van zijn familie, meldde zich op 6 augustus 1894 met een ingezonden brief:

Mijnheer de Redacteur !

Naar aanleiding van het voorkomende in het Tweede BBlad van het Nieuws van den Dag van 23 Juli j.l., betreffende de afstammelingen van M. Adr. de Ruycer, acht ik het niet ondienstig hierbij te releveeren, dat mijn persoon, hoewel éen der vertegenwoordigers van dat geslacht, evenwel niet is de oudere vertegenwoordiger van onzen tak, daar ook nog van een ouderen broeder van mijn vader zoons in het leven zijn, o. a. de Heer Mr. A. de Ruijter de Wildt, te Arnhem.

Hoogachtend,

Uw Dw. Dienaar,

J. C. DE RUIJTER DE WILDT.
Vlissingen 3 Aug. 1894.

Gepubliceerd op

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *