De naamwet van de nazi’s: Joden alleen ‘Joodse’ namen

De tegenwoordige Duitse Naamswijzigingswet gaat grotendeels terug op de nationaalsocialistische hervorming van het namenrecht in 1938. Naast vele (vooral beperkende) regels voor de naamkeuze die nog altijd gelden, bood het namenrecht van de nazi’s verschillende instrumenten voor antisemitische pesterij.

Een Duitse jodenster (Jüdisches Museum Westfalen te Dorsten, foto: Daniel Ullrich, CC-BY-SA-2.0)
Een Duitse jodenster (Jüdisches Museum Westfalen te Dorsten, foto: Daniel Ullrich, CC-BY-SA-2.0)

De nieuwe wet op naamswijziging

In het bijzonder bepaalde de Wet betreffende de wijziging van familienamen en voornamen van 5 januari 1938 dat een “naamswijziging die voor 30 januari 1933 is goedgekeurd, kan worden herroepen indien deze als ongewenst te beschouwen is” (artikel 7).

Als “ongewenst” beschouwden de nazi’s vooral alle naamswijzigingen van Joden die afstand deden van hun typisch Joodse naam of deze zelfs maar veranderden. Dergelijke als “misleiding” aangeduide naamswijzigingen kwamen in de praktijk niet veel voor, maar waren in de antisemitische hetze van voor en na 1933 een belangrijk thema.

Veel ingrijpender was echter de op dezelfde dag als de wet zelf uitgevaardigde Tweede verordening tot doorvoering van de wet betreffende de wijziging van familienamen en voornamen. Deze bepaalde dat Duitse en stateloze Joden alleen “zulke voornamen mogen krijgen die worden genoemd in de door de Rijksminister van Binnenlandse Zaken uitgegeven richtlijnen over het voeren van voornamen” (artikel 1) en dat alle Joden die niet zo’n voornaam hadden als extra voornaam de naam Sara (voor vrouwen) of Israel (voor mannen) moesten aannemen (artikel 2).

Gebruikelijke voornamen verboden

De in deze verordening aangekondigde richtlijnen, inclusief een lijst van voor Joden toegelaten namen, volgden in de vorm van een circulaire van de Rijksminister van Binnenlandse Zaken van 18 augustus 1938. De lijst van “Joodse” namen, die tegelijkertijd door niet-Joden niet meer mochten worden aangenomen of gegeven, bevatte veel namen die onder Duitse Joden geenszins gebruikelijk waren; in 1938 droeg de meerderheid namen die ook bij de niet-Joodse bevolking in zwang waren.

De wet richtte zich echter precies tegen dit gelijktijdige gebruik van namen door Joodse en niet-Joodse Duitsers. Terwijl alle onder niet-Joodse Duitsers gebruikelijke roepnamen voor hen toegestaan bleven, werden deze namen voor Joden verboden. Dit betrof ook Hebreeuwse en/of Bijbelse namen voor zover deze onder niet-Joodse Duitsers gebruikelijk waren. Zo werden namen als Ruth, Judith en Esther of Josef, Michael, Daniel, David en zelfs Abraham niet in de lijst opgenomen en mochten deze dus alleen nog door “Ariërs” worden gedragen. Dit betekende overigens niet dat de nazi’s het gebruik van deze namen ook noodzakelijkerwijs wenselijk vonden.

Fragment van een persoonskaart: Walther Henry Specht en Gertrud Franck hadden in Duitsland de extra voornaam Israel en Sara gekregen. In Nederland werden deze namen weer geschrapt.
Fragment van een persoonskaart: Walther Henry Specht en Gertrud Franck hadden in Duitsland de extra voornaam Israel en Sara gekregen. In Nederland werden deze namen weer geschrapt.

De toegestane namen

Welke namen bleven er voor de Joden over? De lijst stond ze maar weinig vóór 1938 gebruikelijke namen toe (bijvoorbeeld Rahel of Moses) en bevatte in plaats daarvan veel namen die Joden en niet-Joden in gelijke mate “raar” of minstens ongebruikelijk in de oren klonken. Tot deze kennelijk bewust uitgezochte namen behoren zeldzame Bijbelse namen (bijv. Isbobeth) en Jiddische namen die hoogstens door een zeer kleine minderheid van de Joden in het Duitse Rijk werden gedragen (bijv. Briewe).

Veel namen hadden ook een duidelijk discriminerend karakter, hetzij omdat de klank aanleiding gaf tot spot (bijv. SaudikSau betekent “varken” – en Geilchen), hetzij, bij Bijbelse namen, omdat de naamdragers in de Bijbel uitgesproken negatief worden voorgesteld.

Een voorbeeld zijn de namen Ahab en Jezabel: koning Achab en zijn vrouw Izebel, zoals ze in het Nederlands worden genoemd, zijn een paar dat in het Bijbelverhaal zo negatief wordt voorgesteld als maar denkbaar is. Verleid door zijn vrouw, een dochter van de koning van Tyrus, voert Achab de Baäl-cultus in Israël in (1 Kon 16:31-33). Achab vindt in de profeet Elia zijn tegenstander en Izebel wordt in het bijzonder verantwoordelijk gehouden voor de moord op talrijke Joodse profeten. Achab sneuvelt tenslotte in de strijd en ook zijn vrouw sterft een gruwelijke dood: haar lijk wordt, zoals Elia had voorzegd, door honden opgevreten (2 Kon 9:33-37). Als men dit verhaal kent, is het duidelijk met welk cynisme Ahab en Jezebel in de lijst van “Joodse” namen zijn opgenomen.

Samenvatting

In essentie had het nationaalsocialistische namenbeleid jegens de Joden dus drie verschillende doelen. Ten eerste moesten de Joden door namen eenduidig “gemarkeerd” worden; ten tweede moesten ze door de verplichte beperking tot weinige en vaak zeer ongebruikelijke namen tot vreemden worden; en ten derden had een aantal van deze namen een negatieve connotatie.

Dit is een (licht bewerkte) vertaling van het artikel Antisemitische Namenspolitik im Dritten Reich van dr. Christof Rolker dat is gepubliceerd onder de licentie CC-BY-SA 3.0.

Gepubliceerd op

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *